Innoveren = Concurreren

21 juli 2017

Hoe duurzaam concurrentievoordeel te behalen door als overheid in te spelen op innovaties uit de maatschappij? Een groot deel van de Nederlandse economie is gebaseerd op fossiele grondstoffen, o.a. aardolie, aardgas en kolen. Het cluster in de Rotterdamse haven rondom de raffinage en distributie van aardolie-achtige mineralen bijvoorbeeld is erg groot en belangrijk voor onze economie. Maar in een wereld van grote onzekerheden is één ding zeker: dit cluster gaat krimpen. De vraag is: wat zetten we ervoor in de plaats? Hoe zorgen we dat al die mensen die nu in deze sectoren werkzaam zijn straks ook werk hebben? En waar kunnen toeleveranciers en transportbedrijven in de toekomst hun geld mee verdienen? We moeten onze economie omvormen naar een houdbaar toekomstmodel. Zowel qua duurzaamheid als economisch. Een omwenteling van fossiel naar groen, van lineair naar circulair, van recyclen naar upcyclen en van bezit naar ruilen of huren is daarvoor nodig. Maar zo’n transitie is geen zelfrijzend bakmeel. Er zullen vele innovaties nodig zijn om de omschakeling naar een duurzame economie te maken. Technische innovaties, sociale innovaties en nieuwe businessmodellen. Deze innovaties zorgen er ook voor dat het bedrijfsleven competitief blijft. Concurreren is dus innoveren. Maar omgekeerd geldt ook dat innovaties onderling concurreren. In de survival of the fittest zal blijken welke innovatie, welke product of dienst, zal zegevieren. Innoveren is dus concurreren. De overheid heeft in het technologisch innovatiesysteem een belangrijke rol, om bedrijven te helpen zich fit te maken voor de toekomst. Koplopers in verduurzaming (o.a. Denemarken en Duitsland) hebben ambitieuze en langjarige doelstellingen geformuleerd, investeren veel in kennis en ondersteunen innovatie met publieke middelen. En ook maken ze keuzes op basis van hun sterke kanten. Voor Nederland zou dit betekenen dat er kansen liggen in de agrofood, procesindustrie, logistiek en afvalindustrie. Daarnaast blijkt Nederland met name goed in de processen vóór de productie (o.a. ontwerp/design) en ná de productie (distributie, logistiek). Binnen sectoren zou men vooral op zoek moeten gaan naar het optimaal exploiteren van niches in de wereldmarkt. Ontwikkeling van deze niches kan worden bereikt door samen te werken met veeleisende gebruikers in de thuismarkt. Bij elke innovatie, en zeker die met overheidsgeld wordt ondersteund, zou de samenwerking met ketenpartners en de doorontwikkeling tezamen met gebruikers een voorwaarde moeten zijn. De overheid kan als launching customer ook zo’n gebruiker zijn. Omdat innovatie inherent onzeker is (het is niet van tevoren duidelijk welke producten succesvol zullen worden) kan niet op voorhand gekozen worden voor bepaalde technologieën, producten of diensten. Het is daarom veel waardevoller om met verschillende marktpartijen samen te werken en een pijplijn of portfolio van innovaties te op te tuigen. Na elke productfase zullen de meest succesvolle technologieën, producten en diensten geselecteerd worden voor een volgende fase, tot uiteindelijk enkele kampioenen overblijven. Dit gedachtengoed is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu toegepast in het kader van de duurzame brandstofvisie. Daar is nagegaan in welke ontwikkelingsfase de verschillende product-marktcombinaties – dat wil zeggen een combinatie van een voertuigsegment (personenvoertuigen, bussen, vracht enz.) en brandstof (elektrisch, waterstof, hernieuwbaar gas enz.) zich bevinden, en op welke manier innovatie ondersteund kan worden. Het denkkader rondom innoveren wordt momenteel breder uitgetest op 5 IenM transities. 

Teun Morselt
Blueconomy